Onderzoeksmaatregel enkel bij ontvankelijke vorderingen (art. 28 Wet Burgerlijk Procesrecht)

De rechter kan enkel nog een onderzoeksmaatregel bevelen als de vordering ontvankelijk is. En de inzet van het geding is bepalend voor de gekozen onderzoeksmaatregel.

Enkel bij ontvankelijke vorderingen

De wetgever wil besparen op de onderzoeksmaategelen die de rechter kan bevelen. Voortaan wordt er uitdrukkelijk gesteld dat de rechter pas een onderzoeksmaatregel kan bevelen als de vordering ontvankelijk is verklaard. Uitzonderlijk kan het toch eerder maar dan alleen als de onderzoeksmaatregel dient om na te gaan of aan een ontvankelijkheidsvoorwaarde is voldaan.

Met die regel wordt vermeden dat de rechter onderzoeksmaatregelen oplegt bij vorderingen die later onontvankelijk blijken te zijn. Iets wat tot nu regelmatig gebeurt. 

Keuze onderzoeksmaatregel

De rechter houdt bij zijn keuze van de onderzoeksmaatregel en de inhoud daarvan rekening met wat echt nodig is om het geschil op te lossen. Dit in het licht van de verwachte kosten van de maatregel en de inzet van het geschil. Als bv. een beperkte tussenkomst van een deskundige volstaat in het licht van de inzet van het geschil beveelt hij deze onderzoeksmaatregel en geen deskundigenonderzoek.

Net als vroeger moet de rechter trouwens de voorkeur geven aan de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel.

Inwerkingtreding

Artikel 28 van de wet van 19 oktober 2015 treedt in werking op 1 november 2015.

Bron: Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015 (art. 28 Wet Burgerlijk Procesrecht)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 875bis)